Na drie geplande nachten Kuala Lumpur, een kleine vertraging en flink wat turbulentie, kom ik aan op de internationale luchthaven van Makassar. Ik word warm en vriendelijk ontvangen door de immigratiedienst. Voor de visum on arrival moet ik 30 euro of 500k rupiah afrekenen. Ik haal mijn creditcard tevoorschijn. “You don’t have cash miss?” Oja, DUCK! Ik wist dit, maar had er niet meer bij stilgestaan, want 2025.. Waar kan je nou niet met je creditcard betalen? Nou, bij de immigratiedienst in Indonesië. Top! De vrouw achter de balie stelt mij gerust en pleegt een belletje. Enkele minuten later wijst ze me de weg naar de arrival hall, waar ik geld uit de muur kan trekken. Klein detail: ik moet wel mijn bagage en paspoort achterlaten en langs niet een, niet twee, maar drie controle posten. Tuurlijk! Zeven jaar geleden was ik ‘de miljonair met de jongensnaam’, nu ben ik ‘miss atm’. Oh well, na de walk of shame kan ik de visum contant betalen en krijgt ook deze ‘stupid bule’ een stempel.
Selamat datang di Sulawesi
Sulawesi (of Celebes) is een van de grotere eilanden van Indonesië en ongeveer vier keer zo groot als Nederland. Het eiland kent een rijke cultuur, parel witte stranden en tropische regenwouden. Ik wilde graag een moskee bezoeken, drijven over Paisupok Lake en dat schattige spookdiertje in het echt zien. Toch is een reis naar Indonesië vooral bijzonder vanwege de lokale bevolking, zo blijkt ook nu weer..


De volgende ochtend besluit ik eerst ergens te ontbijten. Makassar heeft net als andere grote steden in Indonesië veel gezellige koffietentjes. Kopi dingin is hier the way to go, maar ik heb toch liever een cappuccino panas om de dag te starten. Helaas is de koffie bijna overal te slap. Ook de French toast is niet te vreten. Dus mijn advies: bestel gewoon een nasi goreng en een veel te zoete koffie (of thee) met ijsblokjes. Dat kennen ze nou eenmaal het best. Na het ontbijt, spring ik via de GoJek-app achterop een scooter om nog wat contant geld te pinnen. Want, cash is koning. Ik vraag netjes aan de jongeman of hij op me wil wachten en me ook weer wil terugbrengen. Dat is wel zo makkelijk, toch? Hij stemt in. Helaas werkt het universum deze ochtend niet mee. De BRI bank wil mijn Nederlandse pinpas niet accepteren. The boy in green, zoals de jongens van GoJek ook wel genoemd worden, brengt mij naar een andere atm. Ook deze werkt niet. Ik wil het opgeven, maar hij dringt aan het aan de security guy te vragen, die ons naar een andere bank verwijst een kilometer verderop. Bij BCA hebben we inderdaad meer geluk. Terug bij het hotel wordt alleen de enkele rit in rekening gebracht (het gaat om 70 cent). Deze jongen heeft me heen EN teruggebracht EN is naar drie verschillende atm’s gereden, zonder daar iets voor terug te vragen. Natuurlijk zijn er uitzonderingen, maar hier lijkt oprechtheid toch echt de regel te zijn. Ik heb hem het dubbele gegeven, want dat vond ik wel zo eerlijk. Wat is het fijn om weer in Indonesië te zijn!

Makassar en omgeving
Om 9 uur vertrek ik samen met Dodo naar Rammang Rammang. Een paar dagen eerder had ik via Whatsapp al kennis met hem gemaakt. Op Sulawesi regel je alles namelijk heel makkelijk via Whatsapp. Dodo is een zeer betrouwbare gids, die naast dagtrips ook vervoer kan regelen naar je volgende bestemming. Heel handig! Je kunt trouwens ook gewoon met openbaar vervoer reizen, maar dat neemt hier een hoop tijd in beslag en tijd is kostbaar. Dodo spreekt net zo veel Nederlands als ik Bahasa, wat het verder volledig Engelse gesprek af en toe best grappig maakt. Dodo vertelt veel over de omgeving, maar ook over zichzelf. Zo leren we elkaar een beetje beter kennen, wat ik echt heel leuk vind. Rammang Rammang is een natuurgebied op een uurtje rijden van Makassar. Je vindt er rijstvelden, mangroves en gigantische kalkstenenrotsen, die zorgen voor het authentieke beeld van Indonesië. Verder maak ik met de eigenaar van Stone Garden een wandeling door de ‘stenen jungle’ en riskeer ik mijn leven door via een geïmproviseerde trap een pikdonkere grot in te klimmen. Dat doe ik om een beetje leuk naar glimmende druipstenen te staan staren. Waarom in hemelsnaam? Gelukkig heb ik het overleefd.












Vanuit Makassar wil ik ook een dag naar Malino, dat is een klein dorp in de bergen. Na wat Googlen kom ik uit bij Rotterdam Rental Car. Dat klinkt vertrouwd. Ik app met Komar en een uur later is het geregeld. De volgende dag word ik om 7 uur ’s ochtends opgehaald door een enthousiaste jonge gozerT. Malino is een stukje rijden, maar Komar is net zo nieuwsgierig als ik en dus gaat de tijd snel. Voor ik het weet, stoppen we bij de eerste waterval. Ketemu Jodoh betekent zoiets als ‘ontmoet je soulmate’. De lokale bevolking gelooft dat als je hier als vrijgezel het water in gaat, je kort daarna in het huwelijksbootje zal stappen. Gelukkig heb ik er niet gezwommen, want stel je voor.. In plaats daarvan geef ik mijn camera aan Komar om een foto van mij te maken. Ik kom er achter dat fotografie zijn hobby is. Kleine bonus! Op een steenworp afstand van Ketemu Jodoh ligt Air Terjun Takapala. De tweede waterval is nog net iets indrukwekkender. Beide watervallen zijn vrij eenvoudig te bereiken en je kunt bij allebei zwemmen. Ik vond het daarvoor net iets te koud. Malino ligt namelijk op 1500 meter boven zeeniveau. Dit geeft je een prachtig uitzicht, maar helaas blijven de wolken er ook hangen. Van de theeplantages heb ik dus niet zoveel gezien. Wel stoppen we nog even bij de centrale markt om wat tropisch fruit te kopen. Wat een mooie dag!










Op de derde dag verken ik Makassar zelf. Dat vind ik eigenlijk het allerleukst. Ik laat me door een GoJek afzetten bij Tanamera Coffee. Hier kun je wel een goed kop koffie krijgen en een smoothie bowl met granola. Na een heerlijk ontbijt wandel ik, deels over de weg, naar Masjid 99 Kubah. Deze bijzondere moskee is pas in 2017 gebouwd en telt 99 koepels voor de 99 namen van Allah. Denk aan: de Barmhartige, de Alziende, de Vergevingsgezinde, etc. In een moskee vind je geen beelden of afbeeldingen met de reden dat alleen God aanbid wordt. Wel vind je in Indonesië veel kleur. Als niet-moslim ben je echt van harte welkom, mits je je natuurlijk een beetje bescheiden kleed. Van vrouwen wordt ook gevraagd het haar te bedekken. Niet overal is een hoofddoek te leen dus zorg dat je dit zelf bij je hebt. In het grootste moslimland ter wereld vind ik een bezoek aan een moskee eigenlijk wel een must-do dingetje, maar het is ook gewoon heel interessant en sereen ofzo. Ik weet niet, je moet het zelf maar een keer ervaren.






Na een vredige, maar warme ochtend bestel ik een GoJek naar Fort Rotterdam. Dit zeventiende-eeuwse fort is vernoemd naar de geboorteplaats van een VOC-admiraal. Als Rotterdammer mag dat natuurlijk niet ontbreken aan je citytrip. Ik ben een van de weinige westerse bezoekers, maar vanwege een schooluitje is het er toch vrij druk. Nog voor ik de poort binnentreed, word ik gespot door een groep meiden. Wen er maar aan, want in Indonesië ben jij de bezienswaardigheid. Dagelijks wil er wel iemand met je op de foto. Lief als ik ben, zeg ik natuurlijk “ja”. Voor ik het weet, verschijnen er tientallen scholieren voor een selfie. Na een fotosessie en een rondje fort wandel ik zigzag door het centrum terug naar m’n hotel. Onderweg stop ik bij een warung voor een coto soep (nee, geen soto). Tegen zonsondergang loop ik richting boulevard Losari. Hier voelt het wel een beetje overweldigend door alle straatverkopers, maar een geduldige “tidak, terima kasih” doet een hoop wonderen. Ik plof neer bij een van de eetstallen en bestel wat lekkers om de dag af te sluiten. Heb jij nog zin om wat te doen? De karaokebar is erg populair hier!










Banggai Islands
Langs de kust van Sulawesi liggen een aantal kleinere eilanden. De meeste toeristen bezoeken Togean Islands of Pulau Bunaken, omdat je hier goed schijnt te kunnen duiken. Ik reis af naar de stad Luwuk, in Midden-Sulawesi, om de boot naar het opkomende Banggai te nemen. Niet overal op Sulawesi spreekt men Engels, maar op Banggai is dit nog minder gebruikelijk. Het leek mij daarom makkelijker om een meerdaagse privétour te boeken. Makkelijk is het zeker, maar voor Indonesische begrippen vond ik dit wel vrij prijzig. Achteraf gezien had ik dit misschien best zelf kunnen regelen en waarschijnlijk was ik dan goedkoper uit geweest, maar hey: no fuzz! We hebben het leuk gehad en ik hoefde echt nergens over na te denken. Vind jij dat ook fijn? Besef dan wel dat je dit via Whatsapp boekt en vooraf even 50% moet overmaken naar een buitenlandse rekening (ja, dat gaat om een paar honderd euro). Dat vinden wij Nederlanders een beetje dubieus, maar wat is nou eigenlijk het ergste dat er kan gebeuren? Stiekem vond ik het ook een beetje spannend, maar als ik op de luchthaven van Luwuk aankom, word ik enthousiast begroet door Acho. Het avontuur start met een uitgebreide lunch langs de kust. De boulevard van Luwuk heeft een heleboel warungs waar je super lekkere visgerechten kan eten. Het eten is dan ook één van de hoogtepunten van de komende vijf dagen. Na de lunch stoppen we bij Piala Waterfall. Het is zondag dus de waterval is overladen met locals. Voor de foto is dat jammer, maar voor de beleving is dit eigenlijk juist wel leuk. Na een klein uurtje mensen kijken, is het tijd voor de ferry richting de Banggai Islands. De tocht duurt zo’n drie uur. De overige passagiers zijn vooral mensen die op het eiland wonen of werken. Vanwege mijn Engelssprekende tourguide kan ik met een enkeling een leuk gesprek voeren. Dat vind ik toch wel een pluspunt. Wanneer we op Banggai aankomen, is het al donker. Na het avondeten word ik netjes bij mijn hotel afgezet. De kamer is zo nieuw dat de verf nog nat is. Maar, het belangrijkste van alles: het heeft een westers toilet! Dat is niet altijd vanzelfsprekend hier. Na de karaokesessie die gaande is, ga ik lekker slapen.












Het is een korte nacht, want iets over half 5 word ik gewekt door het ochtendgebed. Gelukkig kan ik daarna nog even verder slapen, maar om 7 uur zit ik alweer aan het ontbijt. Dit is het ritme voor de komende dagen trouwens. Vandaag gaan we naar een privéstrand en naar het bekende Oyama Beach. Aan het eind van de middag bezoeken we een Baju Village. Dit is een vissersdorpje volledig op het water gebouwd. Vanwege de uitstekende duik- en vissersskills worden deze mensen ook wel de ‘sea gypsies’ genoemd. Wanneer je aan komt varen, zal een groep kinderen je in alle nieuwsgierigheid ontvangen. Ik neem op reis altijd een pakje stroopwafels mee om weg te geven. Die kwamen nu goed van pas. De volgende dag bezoeken we Paisupok en Paisubatango Lake. Hier gingen we voor jongens! Unfortunately peanutbutter zijn de weergoden niet aan mijn zijde. Het komt echt bijna de hele dag met bakken naar beneden, maar wat kunnen we eraan doen? Alhoewel het leven er net iets mooier uitziet als de zon schijnt, blijft het wel een onwijs mooie plek. Ik padel, tussen de buien door, over het kristalheldere water en schuil de rest van de middag in een houten hutje langs het meer. De laatste ochtend op Banggai wil de zon eindelijk een beetje doorkomen. We spenderen een paar uur op Pantai Pompon, voordat we de ferry weer terug naar Luwuk nemen. In Luwuk staat er weer een uitgebreid diner aan de boulevard op me te wachten. De Indonesische keuken is echt een van mijn lievelings!
























Vroeg in de ochtend hike ik samen met Acho en onze chauffeur naar Air Terjun Kamumu. Deze waterval is iets minder eenvoudig te bereiken, maar we hebben deze plek wel helemaal voor onszelf. Dat heeft toch ook wel wat. Eigenlijk eindigt hier de vijfdaagse tour, maar omdat ik zelf nog een nacht in Luwuk verblijf, kunnen we nog even langs de lokale markt om wat te eten. De rest van de dag heb ik languit bij het zwembad gelegen. Ik besef langzaam hoe prachtig de afgelopen dagen zijn geweest. Door social media (ook ik ben er schuldig aan) worden de Banggai Islands steeds populairder. Dit is voor de economie natuurlijk best goed, maar laten we met z’n allen hopen dat dit eiland haar charme daarmee niet zal verliezen.








Manado & Tangkoko
Vanuit Luwuk vlieg ik (via Makassar) naar Manado, de kleine grote stad in het noorden. In tegenstelling tot het zuiden en midden van Sulawesi is het grootste deel van de bevolking in Noord-Sulawesi christelijk en houdt men er net iets andere gewoonten op na. Hier wordt bijvoorbeeld wel babi gegeten en euhmm nou, ander wild. Ik ga er samen met Roy op uit. Eerst bezoeken we de extreme markt in Tomohon. Even is het alsof ik in China ben en corona nooit bestaan heeft. Naast fruit, groente en vis kun je hier ook ratten, slangen, vleermuizen en honden kopen. Ja, honden. Veel zieliger dan een kip of koe is dat natuurlijk niet, maar ik zou toch niet zo snel een saté anjing bestellen. Jij? Na een rondje over de markt rijden we verder naar Bukit Kasih aka de heuvel van de liefde. Boven op de berg vind je verschillende gebedsgebouwen voor de verschillende religies die Indonesië rijk is. Je kunt het zien als een soort monument waar verschillende geloven met elkaar verenigd worden. Daarnaast steken er twee enorme gezichten uit de bergrotsen, die twee helden uit een ver verleden moeten voorstellen. Tegelijk bevindt zich onder de berg een heetwaterbron wat Bukit Kasih een bizarre plek maakt. Nou komen hier sowieso weinig toeristen, maar na COVID schijnt het er helemaal uitgestorven te zijn. Wij zijn dan ook echt de enige bezoekers, wat het allemaal nog iets surrealistischer maakt. Het lijkt een beetje op een filmset voor een slechte horrorfilm. Roy klimt de vervallen trap, verstopt tussen de ongerepte natuur, op. Ik hoor het mezelf nog denken: “op een verlaten plek een wildvreemde man de jungle in volgen is echt alleen op reis een ‘goed’ idee.” Na een korte, maar pittige klim komen we bij de gebedsgebouwen aan. Hier heeft men al in geen tijden meer gebeden. We rusten uit onder een boom en genieten van het uitzicht en de frisse wind. Terug beneden zien we dat er een schoolbus is gearriveerd. “Bule, bule”, hoor ik in de verte en er wordt naar me gewezen. “Miss, miss”, “hello”, “your name is?”, “where you from?”, “where you go?” en dan meestal een vragende “selfie?” Inmiddels ben ik er gewend aan geraakt. Onderweg terug naar Manado scoren we ergens een saté babi en wagen we de nogal smalle en steile hike naar Air Terjun Kali. Ja, ook Noord-Sulawesi is bagus!




















De laatste twee nachten verblijf ik aan de rand van Tangkoko National Park. Voordat ik een Grab (de Aziatische variant van Uber) bestel naar de jungle van het noorden, start ik eerst rustig op. Ik wandel over de Soekarno brug, die me een klein beetje aan thuis doet denken. Daarnaast trakteer ik mezelf op een welverdiende massage. Dat kost gewoon maar 9 euro he?! Wist je, dat je bij QoQo 5,5 keer zoveel kwijt bent? Bizar! Helemaal zen kom ik aan bij mijn laatste bestemming. Eigenlijk vind ik het best jammer, dat ik Indonesië alweer bijna moet verlaten. Maar, de zon schijnt dus ik stop met klagen en ga naar Pantai Batu Putih. Waarom dit strand ‘putih’ in de naam heeft, is mij een raadsel. Het zand is pikzwart en mega heet! Au! Ik gooi m’n spullen onder een boom en doe de rest van de middag precies niks. Heerlijk! De volgende ochtend gaat om 5 uur de wekker. Samen met een stel Italianen en onze ranger ga ik de jungle in. Het regent, maar, denken we: “dat waait zo wel weer over”. We zien een kuskus, een groep zwarte makaka’s en een dikke vette slang. Hartstikke leuk, maar 4 uur later regent het nog steeds. We zijn zeiknat! Mijn camera en ik zijn het al een tijdje zat en de Italianen vinden het inmiddels ook wel mooi geweest. Voor de lunch gaan we daarom terug naar onze homestay. Daar kunnen we wat opdrogen en een middagdutje doen. Rond 3 uur is het eindelijk droog en ik besluit om toch nog een jungletrek te maken. Opnieuw zien we een groep zwarte makaka’s. Dit keer is het een stuk aangenamer om ze te observeren. Mijn camera doet het ook een stuk beter. Wat een geluk, want niet veel later zien we ze hoor: de spookdiertjes. Aaahhh, zo cute! Ze zijn wel echt inieminie, niet veel groter dan een grote mensenhand. En alhoewel ze overdag niet meer doen dan slapen, zijn ze supersnel. Ik volg mijn ranger verder de jungle in. Opeens horen we iets wat lijkt op geblaf. Ik haal m’n schouders op en vraag me af of hier ook honden in de jungle leven. Mijn ranger gaat sneller lopen en ik pas mijn snelheid aan om hem bij te kunnen houden. Na een paar meter stopt hij abrupt en staren we enige tijd naar boven. “Waar kijk ik in godsnaam naar?”, denk ik. Opnieuw hoor ik een soort geblaf, maar nu dichterbij. En dan, uit het niets, een zwaar geluid van wapperende vleugels. Twee neushoornvogels vliegen hoog boven ons voorbij. Wow, hoe tof is dat?! Ik wist niet dat vogels zo bijzonder konden zijn. Mijn ranger zet een sprintje. “Hati hati”, roept hij, terwijl ik alleen maar denk: “ja, pelan pelan vriend”. Hij is duidelijk enthousiaster dan ik, maar ik ben hem zo dankbaar. Horn en Billy zijn de afsluiter van weer een mooie reis. Selamat jalan Indonesia!

















– X –